Voor het naderende verkeer gelden – op een enkele uitzondering na – geen luchtverkeerwegen, maar wel minimum vlieghoogten.
De luchtverkeersleider bepaalt (vaak in overleg met de piloot) op welke wijze de eindnadering plaats vindt. In het laatste stuk van de nadering moet het vliegtuig recht voor de baan zijn geleid.
Uit het oogpunt van veiligheid wordt een keuze gemaakt op welk punt een vliegtuig het best kan indraaien voor de baan zodat er genoeg ruimte zit tussen zijn voorganger en degene die na hem komt.
Gelet op de efficiency wil zowel de verkeersleider als de piloot het vliegtuig niet te ver laten vliegen om tijd en brandstof te besparen. Primair wordt dit gedaan om het verkeer zo snel en efficiënt mogelijk af te handelen.
Daarnaast gebeurt dit uit milieuhygiënisch oogpunt. Immers, een grotere omweg vliegen kost meer brandstof (geeft meer uitstoot CO2) en er wordt een groter gebied belast met geluid; daar is de omgeving niet mee gebaat.